Wijn.org

Wijn.org · Verdieping

Wijn.org · Background

← Terug naar TheWijn.org

Pasteur en reingist

In 1857 ontdekte Louis Pasteur de gisten. Sindsdien weet men dat gisten druivensap in wijn veranderen. Isolatie en kruising gaven veel gistrassen, elk met eigen kenmerken.

Op de schil zitten van nature gistsoorten. Niet alle helpen de fermentatie. Spontane gisting kan, maar start vaak traag. Dan krijgen schadelijke organismen kans. Vroeger plukte men kort voor de grote oogst een kleine partij en liet die gisten. Met die massa zette men later de volle oogst in.

Reingisten horen bij het suikerminnende geslacht Saccharomyces. Bakkersgist en biergist horen bij dezelfde familie. Men onderscheidt gisten voor witte wijn, rode wijn, Champagne en wijnen met hoog alcohol.

Met een goede gist komt de gisting snel op gang. Alle suikers worden omgezet. De smaak is te sturen met het type gist. De ware kwaliteit blijft de druif.

Killergisten

In 1965 vond men killergisten. Die kunnen wilde gisten uitschakelen. Men deelt ze in groepen K1 tot K10. Er komen nog nieuwe bij. Bij een pH van vier of vijf werken ze het sterkst. Bij wijn ligt de pH meestal lager, maar de cellen doen hun werk nog. Zolang de temperatuur onder de dertig graden blijft, heeft de pH weinig invloed op het gistingsproces.

Van suiker naar alcohol

Suikers worden alcohol en koolzuur. Verloopt de gisting snel genoeg, dan blijft hooguit twee gram suiker per liter over. Zoete wijn maakte men vroeger door de gisting vroeg te stoppen met sulfiet. Nu kan men werkzame gisten uitfilteren, zodat minder sulfiet nodig is. Een tweede weg is most die zo zoet is dat niet alle suiker vergist. Bij ongeveer vijftien procent alcohol stopt de natuurlijke gisting. Een derde weg is de uitgegiste wijn aanzoeten, zodat het zoet exact is.

Bijproducten hangen af van most, gistsoort, temperatuur en verloop. Acetaldehyde ontstaat in kleine hoeveelheden, tot ongeveer acht tienden procent. Het bindt SO2, dus mag er niet te veel van zijn. Hogere alcoholen dragen bij aan aroma, mits met mate.

Tanks, tempo en mandfles

Alcoholische gisting is exotherm. Per gram suiker komen honderddrieëndertig calorieën vrij. Eén calorie verhoogt één gram most met één graad. In stalen tanks koelt men met koud water langs de buitenkant, zodat de temperatuur onder de dertig graden blijft. Anders stopt de gisting. Bij lagere temperatuur blijven aroma’s beter. Er verdampt minder alcohol. Bij houten vaten werkt die koelmethode niet. Dan start men koud door de omgeving koel te houden.

Te snel: verlies van aroma en alcohol, risico dat de gisting plots stopt. Te langzaam: ongewenste organismen. Most onder de honderdtwintig graden Oechsle moet snel starten tegen besmetting. Most daarboven verdraagt een langzamer tempo.

De hoofdgisting is na twee tot drie dagen zichtbaar en duurt ongeveer tien dagen. Borrelen hoort men. Meet met de densimeter. Stokt het proces, dan kan men de temperatuur naar vijfentwintig graden brengen, of roeren. Alleen doen als stop dreigt. Koelen tot tien graden of gistkernen verwijderen remt. Een onderbroken gisting start niet zomaar weer. Tap een beetje most af en zet die opnieuw in, of maak een giststarter en voeg most beetje bij beetje toe.

In huis gebruikt men vaak een glazen mandfles, in vele maten, makkelijk schoon. Plastic vaten ook. Professionele huizen werken met hout of roestvrij staal. Na enkele weken zakt dépôt. Overhevelen voorzichtig, meerdere keren. Winterkou klaart verder en laat wijnsteenzuur als kristallen neerslaan. Bij enkele graden vorst mag de mandfles in de schuur. Alcohol voorkomt bevriezing.

De algemene gistingsstappen staan op de Verdieping gisting.

Links