Wijn.org

Wijn.org · Verdieping

Wijn.org · Background

← Terug naar TheWijn.org

De brug tussen wijngaard en kelder

Nadat de druiven zijn geplukt, begint in de kelder de overgang van hele trossen naar vergistbare most. Deze fase bepaalt mede kleur, smaak, tannine en structuur. Die keuzes verschillen sterk tussen rode, witte, rosé- en oranjewijn.

Ontstelen, kneuzen, persen, filteren

Ontstelen haalt de steeltjes van de tros. Die kam bevat veel groene, bittere tannine. Kneuzen maakt de bessen zacht stuk, zodat sap vrijkomt. De pitten blijven heel. Most is het mengsel van sap, schillen, vruchtvlees en soms pitfragmenten.

Persen scheidt sap van schillen, pitten en pulp. Filteren of klaren, voor of na de gisting, vermindert vaste deeltjes, gistresten en troebelheid. Bij witte wijn en veel rosés perst men snel na het kneuzen. Dan is er weinig of geen schilcontact. Bij rode wijn en oranjewijn blijft het schilcontact juist lang.

Pulpgisting versus sapgisting

Het verschil tussen rood en wit zit in het moment van persen ten opzichte van de gisting. Bij pulpgisting gaan de gekneusde druiven, inclusief schillen en pulp, als geheel in gisting. Dat is kenmerkend voor rode wijn. Kleurstoffen, tannines en aroma's komen uit de schillen. Hoe langer de pulpgisting duurt, hoe donkerder, tanninerijker en steviger de wijn wordt.

Bij sapgisting perst men eerst. Alleen het sap vergist, zonder of met zeer kort schilcontact. Dat is typisch voor witte wijn en veel rosés. Er komt weinig tot geen kleur en tannine uit de schil. Voor rosé kiest men vaak een tussenweg: korte pulpgisting van enkele uren tot ongeveer een dag, daarna persen, daarna sapgisting.

Kleur komt uit de schil

Rode wijn komt van blauwe druiven, maar het sap zelf is vrijwel kleurloos. De kleur komt vrij tijdens de pulpgisting. Alcohol en warmte lossen anthocyanen uit de schil. Zonder schilcontact zou blauwe druif een witte of lichtgekleurde wijn geven. De duur van het schilcontact stuurt de tint, van lichtrood tot dieppaars, en de hoeveelheid tannine.

Rosé komt meestal van blauwe druiven met zeer kort schilcontact, uren tot circa één dag. Net genoeg voor een roze tint, weinig tannine. Oranjewijn komt van witte druiven met lang schilcontact, vergelijkbaar met rode wijn. Witte schillen geven geen rood, maar amber, goud en oranje, plus extra textuur en bittere toetsen. Ook hier komt de kleur uit de schil, niet uit het vruchtvlees.

Druiven drogen voor persen

Bij sommige wijnstijlen droogt men de druiven na de oogst eerst, voordat ze worden gekneusd, geperst en vergist. In Italië heet dat onder meer appassimento of passito. Elders bestaan vergelijkbare technieken. Trossen liggen op stro- of rietmatten, houten rekken, in kratten of in een droogruimte. In weken tot maanden verdampt een groot deel van het water, soms circa dertig tot vijftig procent van het gewicht. Suikers, zuren en aroma's concentreren. De most wordt rijker, zoeter en intenser. Daarna volgt vaak wijn met meer alcohol, meer body of restsuiker, zoals Amarone, Recioto en andere passito-wijnen.

Pluk, pers en temperatuur

Druiven voor betere kwaliteitswijn worden vaak met de hand geplukt. Voor grote volumes gebruikt men steeds vaker machines. In een tuinwijngaard of klein perceel blijft handpluk gebruikelijk omdat je rijpe trossen kiest en de schil intact houdt. Gemiddeld zitten er ongeveer honderd dagen tussen bloei en pluk. Te vroeg geoogste druiven geven harder sap en een snellere gisting. Rijpe druiven gisten langzamer en geven vollere wijn.

Vroeger perste men met de voeten of met een zware balk op een houten kooi. Tegenwoordig werken hydraulische of luchtdrukpersen horizontaal. Korte perstijd en weinig zuurstof bij het sap beschermen de kwaliteit. Het vaste rest heet druivenmoer. De temperatuur van de most stuurt de snelheid van de gisting. Langzame gisting geeft meer fruit en body. Bij rood vormt zich een dikke laag schillen boven de most. Die hoed moet je regelmatig doorbreken.

Links